verb
sterven, overlijden
A2
sterben betekent ‘sterven, overlijden’. Het is een sterk en onregelmatig werkwoord met klinkerwisseling e → i: du stirbst, er stirbt; verleden tijd starb; voltooid deelwoord gestorben. In de voltooide tijden gebruikt het sein: ich bin gestorben. Niet-reflexief.
Voorbeelden
Viele Menschen sind an der Krankheit gestorben.
Veel mensen zijn aan de ziekte gestorven.
Sein Großvater starb letztes Jahr.
Zijn grootvader stierf vorig jaar.
Der alte Baum ist letzten Winter gestorben.
De oude boom is afgelopen winter gestorven.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een kaars voor die uitgaat om « sterben » = sterven te onthouden
Klinkt als « stir-ben » — denk aan « stir » als stoppen met bewegen
Opmerkingen
Sterk onregelmatig werkwoord met stamveranderingen (du stirbst, er stirbt; Präteritum ich starb; Partizip II: gestorben). In voltooide tijden wordt « sein » als hulpwerkwoord gebruikt. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.