noun
stempel, zegel
B1
Stempel (m., mv. Stempel) betekent „stempel”, „stempelafdruk” of „stempel/inktstempel”. Dit mannelijke zelfstandig naamwoord heeft een gelijk meervoud: Stempel. Genitief enkelvoud: des Stempels. Veelgebruikt in administratieve en officiële contexten.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Beamte setzte den Stempel auf das Formular.
De ambtenaar zette de stempel op het formulier.
Der Beamte gab den Stempel, weil das Formular vollständig war.
De ambtenaar zette de stempel omdat het formulier volledig was.
Für das offizielle Dokument benötigen Sie einen Stempel.
Voor het officiële document heeft u een stempel nodig.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een inktkussen en een rubberen stempel voor die een afdruk op een formulier achterlaat.
stempel klinkt als ‘stamp’ + ‘el’ (kleine stempel)
der — stel je een mannelijke ambtenaar voor die de stempel vasthoudt
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Stempel verwijst meestal naar een rubberen stempel of officiële stempel. Voor een postzegel gebruikt het Duits ‘Briefmarke’.