verb
zetten, plaatsen, leggen
A1
stellen betekent ‘zetten’, ‘plaatsen’ of ‘neerzetten’. Het is een regelmatig zwak werkwoord en gebruikt in de voltooide tijd haben. Meestal neemt het een lijdend voorwerp in de accusatief. Niet scheidbaar en niet wederkerig; vaak met een plaatsbepaling zoals auf den Tisch stellen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Er stellte die Bücher ins Regal.
Hij zette de boeken op de plank.
Die Techniker stellten die Geräte auf die Bühne, obwohl das Programm noch nicht fertig war.
De technici zetten de apparatuur op het podium, hoewel het programma nog niet af was.
Ich stelle die Tasse auf den Tisch.
Ik zet de kop op tafel.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je voor dat je een voorwerp op een plank zet terwijl je ‘stellen’ zegt.
Denk aan ‘to stall’ (plaatsen) — ‘stellen’ = zetten/plaatsen.