verb
uitschelden, berispen, klagen
A2
Zwak en regelmatig werkwoord: schimpfen, geschimpft. Betekent ‘uitschelden’, ‘berispen’ of ‘mopperen’. Het Perfekt wordt gevormd met haben. Handige combinaties: schimpfen mit + datief (iemand uitfoeteren) en schimpfen über + accusatief (klagen over iets).
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Lehrer schimpft mit den Schülern.
De leraar berispt de leerlingen.
Die Lehrerin schimpfte mit dem Schüler wegen des unaufmerksamen Verhaltens.
De lerares schold de leerling uit vanwege zijn onoplettende gedrag.
Der Lehrer schimpfte mit den Schülern, weil sie die Regeln der Klasse ignoriert hatten.
De leraar schold de leerlingen uit omdat ze de klassenregels hadden genegeerd.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een ouder voor die met een vinger wijst en een kind berispt.
Schimp-fen — denk aan ‘shimp’ dat luid klaagt.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Regelmatig zwak werkwoord; vaak gebruikt met «mit» (met iemand) of «über» (over iets).