noun
spiegel
B1
Spiegel betekent „spiegel”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Spiegel. Het meervoud blijft gelijk: die Spiegel. Genitief enkelvoud: des Spiegels. Een heel gewoon woord, letterlijk en soms figuurlijk gebruikt.
Voorbeelden
Hast du einen Spiegel?
Heb je een spiegel?
Der Spiegel hängt über dem Waschbecken.
De spiegel hangt boven de wastafel.
Als das Kind vor dem Spiegel stand, bemerkte die Mutter, dass die Jacke falsch herum angezogen war.
Toen het kind voor de spiegel stond, merkte de moeder dat het jasje verkeerd om was aangetrokken.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een glanzende glazen plaat voor die alles weerspiegelt — een huishoudspiegel.
Klinkt als ‘spee-gel’ — denk aan ‘speckle’ dat verandert in een glanzend oppervlak.
der (mannelijk) — onthoud het als een mannelijk voorwerp.
Opmerkingen
Veelvoorkomend zelfstandig naamwoord voor een reflecterend oppervlak; het meervoud is hetzelfde: ‘Spiegel’. De genitief enkelvoud krijgt -s: ‘des Spiegels’.