Kasten

noun
kist, doos, krat
B1

Kasten betekent ‘kist’, ‘doos’ of ‘bak’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Kasten, meervoud die Kästen. Je gebruikt het voor allerlei opberg- of transportcontainers, zoals een drankkrat of gereedschapskist. Regelmatige verbuiging.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Der Kasten steht im Keller.
De kist staat in de kelder.
In diesem Kasten sind alle wichtigen Unterlagen.
In deze doos zitten alle belangrijke documenten.
Die Gläser stehen im obersten Kasten.
De glazen staan in het bovenste kastje.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALKästen

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Kastendie Kästen
genitivedes Kastensder Kästen
dativedem Kastenden Kästen
accusativeden Kastendie Kästen

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een houten doos voor met het label «Kasten» erop — als een opgestapelde krat in een kelder.
👂Klinkt als «casten» — stel je voor dat je dingen in een doos giet.
⚧️Der Kasten — denk aan een mannelijke timmerman (der) die een kist bouwt.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Kasten betekent meestal een doos of krat en kan ook naar bepaalde meubelstukken verwijzen (bijv. kastachtige opbergmeubels). De context bepaalt of het om een klein doosje, een krat met flessen of een opbergkist gaat. Vergelijk met «Box», dat moderner of technischer kan klinken.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS