Teppich

noun
tapijt, vloerkleed
B1

Teppich betekent ‘tapijt’ of ‘vloerkleed’, soms ook ‘vloerbedekking’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Teppich. Meervoud: die Teppiche. Genitief enkelvoud vaak des Teppichs. Regelmatige verbuiging; veel gebruikt in huiselijke en interieurcontext.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Der neue Teppich passt gut zu den Möbeln.
Het nieuwe tapijt past goed bij het meubilair.
Der Hausmeister erklärte, dass man den Teppich am Montag ersetzen musste.
De conciërge legde uit dat het tapijt op maandag vervangen moest worden.
Der Teppich im Wohnzimmer ist rot.
Het tapijt in de woonkamer is rood.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALTeppiche

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Teppichdie Teppiche
genitivedes Teppichsder Teppiche
dativedem Teppichden Teppichen
accusativeden Teppichdie Teppiche

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een patroonrijk tapijt (‘Teppich’) voor dat de vloer bedekt.
⚧️der → stel je een mannelijke figuur (der) op het tapijt voor om het mannelijke geslacht te onthouden.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Veelvoorkomend mannelijk zelfstandig naamwoord voor vloerbedekking. Let op vergelijkbare woorden in andere talen (bijv. Engels « tapestry » is verwant maar niet hetzelfde).

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS