verb
smaken, lekker zijn
A1
schmecken betekent “smaken”, “een bepaalde smaak hebben” of “naar iets smaken”. Vaak met nach + datief: Das schmeckt nach Knoblauch. Zwak werkwoord, voltooid deelwoord: geschmeckt, hulpwerkwoord haben. Niet wederkerend.
Voorbeelden
Das Essen schmeckte köstlich.
Het eten smaakte heerlijk.
Die Suppe schmeckt gut.
De soep smaakt goed.
Das Essen schmeckt gut.
Het eten smaakt goed.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je soep proeft en een duim omhoog geeft wanneer die ‘s-macks’ goed is
klinkt als ‘smack’ (het geluid van smakken)
Opmerkingen
Wordt zowel onpersoonlijk gebruikt (Das schmeckt gut) als met objecten (Die Suppe schmeckt mir). | Intransitief/onpersoonlijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.