adjective
smal, nauw
B1
schmal betekent „smal”, „nauw” of soms „slank”, afhankelijk van de context. Vergelijkend: schmaler; overtreffend: am schmalsten. Tegenwoordige vorm: breit. Het is een gewoon bijvoeglijk naamwoord met regelmatige verbuiging, attributief en predicatief bruikbaar.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Er hat eine schmale Figur und trägt oft enge Kleidung.
Hij heeft een slank figuur en draagt vaak strakke kleding.
Die Straße war schmal, sodass die LKW nicht passieren konnten.
De weg was smal, zodat de vrachtwagens niet konden passeren.
Die Straße hier ist sehr schmal.
De straat hier is erg smal.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een smal steegje voor waar twee mensen achter elkaar moeten lopen; denk aan een dunne lijn om ‘schmal’ te onthouden.
Denk aan het Engelse ‘small’ — beide woorden zijn kort en roepen een kleinere maat op.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Gebruikt voor fysieke breedte (een smal object) en figuurlijk (een smalle marge). Vergrotende trap: schmaler; overtreffende trap: am schmalsten.