verb
eten
A1
essen betekent ‘eten’ en is een sterk, onregelmatig werkwoord. In de tegenwoordige tijd is er een klinkerwisseling e→i: ich esse, du/er isst; verleden tijd: aß; voltooid deelwoord: gegessen. Hulpwerkwoord: haben. Imperatief: iss / esst. Niet wederkerend.
Voorbeelden
Wir essen um halb acht zu Abend.
We eten om half acht avondeten.
Die Familie aß im Garten, obwohl das Wetter kühl war.
De familie at in de tuin, hoewel het koel weer was.
Er hat eine Pizza gegessen.
Hij heeft een pizza gegeten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die aan tafel eet met het label ‘essen’.
Klinkt als het Engelse ‘essen’, maar denk aan ‘eat’ — kort en veelvoorkomend.
n.v.t.
Opmerkingen
De passieve vorm in de Konjunktiv I in de Präteritum wordt voor dit werkwoord niet gebruikt / is zeldzaam; deze velden zijn gemarkeerd als ‘niet van toepassing’.