verb
ruiken, stinken, een geur afgeven
A1
riechen betekent „ruiken”: een geur waarnemen of zelf een geur afgeven. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: stam riech-, verleden tijd roch-, voltooid deelwoord gerochen. Hulpwerkwoord: haben. Het kan met een object of met nach voorkomen: nach etwas riechen = naar iets ruiken.
Voorbeelden
Nachdem der Koch das Gericht probierte, roch es so gut, dass die Gäste sofort bestellen wollten.
Nadat de kok het gerecht had geproefd, rook het zo lekker dat de gasten meteen wilden bestellen.
Ich rieche die Blumen.
Ik ruik de bloemen.
Ich habe nichts gerochen.
Ik heb niets geroken.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je neus snuffelt en het woord «riechen» als geurwolken verschijnt.
Klinkt als Engels «reek», dat met geur te maken heeft — riechen = ruiken.
Opmerkingen
Kan betekenen: actief ruiken/snuffelen of een geur afgeven. Het voltooid deelwoord is onregelmatig (gerochen).