Einkauf

noun
aankoop, boodschappen, inkoop
B1

Einkauf (der): mannelijk zelfstandig naamwoord met de betekenis ‘aankoop’, ‘boodschappen’ of ‘inkopen’. Meervoud: Einkäufe. Gebruik voor een losse aankoop of voor het doen van boodschappen; vaak in einkaufen gehen.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Vor dem Einkauf recherchierte die Familie die Angebote, weil sie dieses Mal wirklich sparen wollten.
Voor het winkelen heeft het gezin de aanbiedingen onderzocht, omdat ze deze keer echt wilden besparen.
Der Einkauf war heute teurer als sonst.
De aankoop was vandaag duurder dan gewoonlijk.
Ich muss noch einen Einkauf machen.
Ik moet nog boodschappen doen.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALEinkäufe

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Einkaufdie Einkäufe
genitivedes Einkaufsder Einkäufe
dativedem Einkaufden Einkäufen
accusativeden Einkaufdie Einkäufe

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een boodschappentas voor met het label ‘Einkauf’, vol met boodschappen.
👂klinkt als ‘ink off’ — stel je voor dat je de inkt van een prijskaartje haalt tijdens het winkelen.
⚧️Der Einkauf — stel je een mannelijke winkelier voor die ‘der Einkauf’ zegt terwijl hij je een tas geeft.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Het meervoud wordt vaak gebruikt voor specifieke aankopen (Einkäufe). Veelvoorkomend in alledaagse contexten voor boodschappen doen of winkelen.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS