noun
sap
A1
Saft is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent „sap” van fruit of groente; soms ook „plantensap”. Meervoud: Säfte, met umlaut. Genitief enkelvoud: des Saftes. Veel gebruikt in samenstellingen zoals Apfelsaft en Orangensaft.
Voorbeelden
Ich trinke jeden Morgen Orangensaft.
Ik drink elke ochtend sinaasappelsap.
Ein Glas Orangensaft zum Frühstück ist sehr gesund.
Een glas sinaasappelsap bij het ontbijt is erg gezond.
Nachdem die Kinder den Saft verschüttet hatten, holte die Mutter Tücher, damit der Fleck sofort entfernt werden konnte.
Nadat de kinderen het sap hadden gemorst, haalde de moeder doeken zodat de vlek meteen kon worden verwijderd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je zacht fruit voor dat tot sap wordt gemaakt.
«Saft» klinkt een beetje als «soft» zonder de o — stel je zacht fruit voor dat tot sap wordt gemaakt.
Der Saft — denk aan drankjes zoals «der Saft» (mannelijk), koppel het aan «der Saftkrug».
Opmerkingen
Kan telbaar of ontelbaar zijn, afhankelijk van de context; meervoud «Säfte» wanneer het om soorten sappen gaat.