verb
zeggen
A1
sagen betekent ‘zeggen’ of ‘vertellen’. Het is een regelmatig zwak werkwoord: Präteritum sagte, voltooid deelwoord gesagt. In de voltooide tijd gebruikt het haben. Niet scheidbaar en niet wederkerig; vaak gebruikt voor directe of indirecte rede.
Voorbeelden
Ich habe dir alles gesagt.
Ik heb je alles verteld.
Er sagte nichts.
Hij zei niets.
Ich sage dir die Wahrheit.
Ik zeg je de waarheid.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een persoon voor die zijn mond opent met spraakballonnen met het label ‘sagen’.
Klinkt als ‘saying’ — ‘sagen’ ≈ ‘say-gen’ (zeggen).
Opmerkingen
Veelgebruikt werkwoord om spraak weer te geven. Voltooid deelwoord: «gesagt».