sagen

verb
zeggen
A1

sagen betekent ‘zeggen’ of ‘vertellen’. Het is een regelmatig zwak werkwoord: Präteritum sagte, voltooid deelwoord gesagt. In de voltooide tijd gebruikt het haben. Niet scheidbaar en niet wederkerig; vaak gebruikt voor directe of indirecte rede.

Voorbeelden

Ich habe dir alles gesagt.
Ik heb je alles verteld.
Er sagte nichts.
Hij zei niets.
Ich sage dir die Wahrheit.
Ik zeg je de waarheid.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es sagt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es sagte
Perfekter/sie/es hat gesagt

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een persoon voor die zijn mond opent met spraakballonnen met het label ‘sagen’.
👂Klinkt als ‘saying’ — ‘sagen’ ≈ ‘say-gen’ (zeggen).

Opmerkingen

Veelgebruikt werkwoord om spraak weer te geven. Voltooid deelwoord: «gesagt».

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichsage
dusagst
er/sie/essagt
wirsagen
ihrsagt
sie/Siesagen
ichwerde gesagt
duwirst gesagt
er/sie/eswird gesagt
wirwerden gesagt
ihrwerdet gesagt
sie/Siewerden gesagt
ichsage
dusagest
er/sie/essage
wirsagen
ihrsaget
sie/Siesagen
ichwerde gesagt
duwerdest gesagt
er/sie/eswerde gesagt
wirwerden gesagt
ihrwerdet gesagt
sie/Siewerden gesagt
ichwürde sagen
duwürdest sagen
er/sie/eswürde sagen
wirwürden sagen
ihrwürdet sagen
sie/Siewürden sagen
ichwürde gesagt werden
duwürdest gesagt werden
er/sie/eswürde gesagt werden
wirwürden gesagt werden
ihrwürdet gesagt werden
sie/Siewürden gesagt werden
dusag
ihrsagt
Siesagen