Saal

noun
zaal, auditorium
B1

Saal is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent „zaal”, „hal” of „grote ruimte” voor evenementen, concerten of vergaderingen. Meervoud: Säle, met umlaut. Je zegt der Saal; genitief enkelvoud: des Saals, datief meervoud: den Sälen. Veel gebruikt in theater- en congrescontext.

Voorbeelden

Der große Saal war bis auf den letzten Platz gefüllt.
De grote zaal was tot de laatste plaats gevuld.
Im großen Saal fanden heute zwei Vorträge statt.
Vandaag werden er in de grote zaal twee lezingen gehouden.
Der Saal war voll, als das Konzert begann.
De zaal was vol toen het concert begon.

Details

MeervoudSäle

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Saaldie Säle
genitivedes Saalsder Säle
dativedem Saalden Sälen
accusativeden Saaldie Säle

Ezelsbruggetjes

⚧️der (mannelijk): stel je een mannelijke portier voor die je bij de ingang van de zaal begroet.

Opmerkingen

Het meervoud is ‘Säle’. ‘Saal’ wordt vaak gebruikt voor grote ruimtes voor evenementen (concerten, lezingen).

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek