Apfel

noun
appel
A1

Apfel (m., mv. Äpfel) betekent „appel” en kan ook de appelboom aanduiden. Dit mannelijke zelfstandig naamwoord is heel gebruikelijk in het dagelijks leven. Meervoud met umlaut: Äpfel. Genitief enkelvoud: des Apfels. Geen bijzondere voorzetselconstructie.

Voorbeelden

Die Kinder fanden auf dem Weg einen Apfel, obwohl sie keinen Hunger hatten.
De kinderen vonden onderweg een appel, hoewel ze geen honger hadden.
Ich esse jeden Tag einen Apfel.
Ik eet elke dag een appel.
Möchtest du einen Apfel essen?
Wil je een appel eten?

Details

MeervoudÄpfel

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Apfeldie Äpfel
genitivedes Apfelsder Äpfel
dativedem Apfelden Äpfeln
accusativeden Apfeldie Äpfel

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een rode appel op een tafel voor.
⚧️der (mannelijk) — denk aan ‘der Apfel’ als ‘de appel (m.)’ om het geslacht te onthouden.

Opmerkingen

Het meervoud krijgt een umlaut: Äpfel.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek