noun
appel
A1
Apfel (m., mv. Äpfel) betekent „appel” en kan ook de appelboom aanduiden. Dit mannelijke zelfstandig naamwoord is heel gebruikelijk in het dagelijks leven. Meervoud met umlaut: Äpfel. Genitief enkelvoud: des Apfels. Geen bijzondere voorzetselconstructie.
Voorbeelden
Die Kinder fanden auf dem Weg einen Apfel, obwohl sie keinen Hunger hatten.
De kinderen vonden onderweg een appel, hoewel ze geen honger hadden.
Ich esse jeden Tag einen Apfel.
Ik eet elke dag een appel.
Möchtest du einen Apfel essen?
Wil je een appel eten?
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een rode appel op een tafel voor.
der (mannelijk) — denk aan ‘der Apfel’ als ‘de appel (m.)’ om het geslacht te onthouden.
Opmerkingen
Het meervoud krijgt een umlaut: Äpfel.