Saison

noun
seizoen
B1

Saison (die, mv. Saisons) betekent ‘seizoen’, ook in de zin van een sport- of tv-seizoen. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord met leenmeervoud Saisons. Veelgebruikte combinaties: in der Saison, Saisonbeginn, Saisonende. Regelmatige verbuiging.

Voorbeelden

Die Saison der Erdbeeren beginnt im Frühling.
Het aardbeienseizoen begint in de lente.
Die Spargelsaison beginnt im April.
Het aspergeseizoen begint in april.
Nach Ende der Saison kündigte der Verein an, dass die Spieler in den Urlaub gehen würden.
Na het einde van het seizoen kondigde de club aan dat de spelers op vakantie zouden gaan.

Details

MeervoudSaisons

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedie Saisondie Saisons
genitiveder Saisonder Saisons
dativeder Saisonden Saisons
accusativedie Saisondie Saisons

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een kalender voor met een gemarkeerde periode en het label « Saison ».
⚧️die (vrouwelijk): stel je een vrouwelijke boerin voor die het begin van het bessenseizoen markeert.

Opmerkingen

Gebruikt voor natuurlijke seizoenen en seizoensgebonden periodes in zaken, sport of tv. Meervoud vaak « Saisons ».

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek