noun
seizoen
B1
Saison (die, mv. Saisons) betekent ‘seizoen’, ook in de zin van een sport- of tv-seizoen. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord met leenmeervoud Saisons. Veelgebruikte combinaties: in der Saison, Saisonbeginn, Saisonende. Regelmatige verbuiging.
Voorbeelden
Die Saison der Erdbeeren beginnt im Frühling.
Het aardbeienseizoen begint in de lente.
Die Spargelsaison beginnt im April.
Het aspergeseizoen begint in april.
Nach Ende der Saison kündigte der Verein an, dass die Spieler in den Urlaub gehen würden.
Na het einde van het seizoen kondigde de club aan dat de spelers op vakantie zouden gaan.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een kalender voor met een gemarkeerde periode en het label « Saison ».
die (vrouwelijk): stel je een vrouwelijke boerin voor die het begin van het bessenseizoen markeert.
Opmerkingen
Gebruikt voor natuurlijke seizoenen en seizoensgebonden periodes in zaken, sport of tv. Meervoud vaak « Saisons ».