noun
ring
A2
Ring (m.) betekent ‘ring’ of in bredere zin een rond voorwerp. Meervoud: Ringe. Genitief enkelvoud: des Rings; datief meervoud: den Ringen. Mannelijk zelfstandig naamwoord met een regelmatig meervoud op -e; veelgebruikt in het dagelijks leven en in juwelierscontext.
Voorbeelden
Sie trägt einen goldenen Ring am Finger.
Ze draagt een gouden ring aan haar vinger.
Sie trägt einen schönen Ring.
Ze draagt een mooie ring.
Die Frau suchte den Ring, nachdem er ihr beim Spaziergang vom Finger gefallen war.
De vrouw zocht naar de ring nadat die tijdens de wandeling van haar vinger was gevallen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een kleine gouden cirkelvormige band om een vinger voor — dat is een Ring.
der Ring — stel je een stevige, mannelijke metalen band voor (der).
Opmerkingen
Meervoud: «Ringe». De gebruikelijke betekenis is sieraad; afhankelijk van de context kan het ook een ringvormig voorwerp betekenen.