Ring

noun
ring
A2

Ring (m.) betekent ‘ring’ of in bredere zin een rond voorwerp. Meervoud: Ringe. Genitief enkelvoud: des Rings; datief meervoud: den Ringen. Mannelijk zelfstandig naamwoord met een regelmatig meervoud op -e; veelgebruikt in het dagelijks leven en in juwelierscontext.

Voorbeelden

Sie trägt einen goldenen Ring am Finger.
Ze draagt een gouden ring aan haar vinger.
Sie trägt einen schönen Ring.
Ze draagt een mooie ring.
Die Frau suchte den Ring, nachdem er ihr beim Spaziergang vom Finger gefallen war.
De vrouw zocht naar de ring nadat die tijdens de wandeling van haar vinger was gevallen.

Details

MeervoudRinge

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Ringdie Ringe
genitivedes Ringsder Ringe
dativedem Ringden Ringen
accusativeden Ringdie Ringe

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een kleine gouden cirkelvormige band om een vinger voor — dat is een Ring.
⚧️der Ring — stel je een stevige, mannelijke metalen band voor (der).

Opmerkingen

Meervoud: «Ringe». De gebruikelijke betekenis is sieraad; afhankelijk van de context kan het ook een ringvormig voorwerp betekenen.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek