adjective
juist, correct
A1
richtig betekent „juist”, „correct” of „goed”. Het is een bijvoeglijk naamwoord dat je kunt vergelijken: richtiger, am richtigsten. Het kan ook als versterkend bijwoord gebruikt worden, zoals in Das ist richtig gut. Tegenovergestelde: falsch.
Voorbeelden
Der Lehrer erklärte den Schülern, dass die Antwort richtig gewesen war, obwohl einige Zweifel bestanden.
De leraar legde de leerlingen uit dat het antwoord juist was geweest, hoewel er enkele twijfels bestonden.
Deine Antwort ist richtig.
Je antwoord is juist.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een vinkje (✓) voor met het woord ‘richtig’ erop gestempeld in rood, wat ‘correct’ betekent.
Klinkt een beetje als Engels ‘right’ — ‘richtig’ ≈ ‘right-ich’ (right = correct).
Opmerkingen
Wordt zowel gebruikt voor ‘correct’ als voor ‘juist’ (zoals in een juist antwoord). Niet verwarren met ‘recht’ (juridisch / nogal).