noun
roker, iemand die rookt
B1
Raucher is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Raucher, meervoud die Raucher. Betekent een roker, iemand die rookt. Vrouwelijke vorm: Raucherin. Regelmatige verbuiging: des Rauchers, dem Raucher. Veel gebruikt in het dagelijks leven en op borden, bv. Raucherzone.
Voorbeelden
Der Raucher zündete sich eine Zigarette an.
De roker stak een sigaret op.
Wegen eines Rauchers vor dem Eingang bat die Familie ihn, näher an die Straße zu gehen, damit der Rauch nicht ins Haus zog.
Vanwege een roker voor de ingang vroeg de familie hem dichter bij de straat te gaan staan, zodat de rook niet het huis in zou trekken.
Der Raucher wartet vor dem Eingang.
De roker wacht voor de ingang.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een persoon voor die buiten staat met een sigaret, met het label «Raucher» erboven.
Klinkt als «row-ker» — denk aan iemand die roeit (row) en een rookpauze neemt om «Raucher» = roker te onthouden.
Der (mannelijk): standaard mannelijke vorm «der Raucher» — stel je een man voor met het label «Raucher» om het geslacht te onthouden; de vrouwelijke vorm is «Raucherin».
Opmerkingen
Raucher verschijnt doorgaans als «der Raucher» (mannelijke roker) en heeft een vrouwelijke tegenhanger «Raucherin». De context geeft aan of het enkelvoud of meervoud is; meervoud: Raucher.