expression
fietsen, op de fiets gaan
A1
„Rad fahren” betekent „fietsen” of „met de fiets rijden”. Het werkwoord wordt vervoegd als fahren: du fährst Rad. Het is niet wederkerend. In de voltooide tijd gebruik je sein: Ich bin Rad gefahren.
Voorbeelden
Der Junge fuhr Rad im Park, obwohl es schon dunkel wurde.
De jongen fietste in het park, hoewel het al donker begon te worden.
Am Wochenende fahre ich gern Rad.
In het weekend fiets ik graag.
Wir können in den Park Rad fahren.
We kunnen met de fiets naar het park gaan.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een wiel (Rad) voor en iemand die «fahren» — je fietst.
Rad rijmt op het Engelse «rad» — fietsen is «rad»!
Opmerkingen
Een scheidbaar werkwoordelijk geheel in gebruik (du fährst Rad), maar hier behandeld als een vaste meerwoordige uitdrukking met de betekenis fietsen.