parken

verb
parkeren
A2

parken betekent ‘parkeren’ of ‘een voertuig neerzetten’. Het is een regelmatig zwak werkwoord: voltooid deelwoord geparkt, perfect met haben. Niet wederkerig. Vaak met een plaatsaanduiding: auf dem Parkplatz parken.

Voorbeelden

Der Fahrer parkte das Auto, bevor er das Hotel betrat.
De chauffeur parkeerde de auto voordat hij het hotel binnenging.
Ich parke mein Auto.
Ik parkeer mijn auto.
Sie parkte ihr Fahrrad.
Ze parkeerde haar fiets.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es parkt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es parkte
Perfekter/sie/es hat geparkt
ichparke
duparkst
er/sie/esparkt
wirparken
ihrparkt
sie/Sieparken
ichwerde geparkt
duwirst geparkt
er/sie/eswird geparkt
wirwerden geparkt
ihrwerdet geparkt
sie/Siewerden geparkt
ichparke
duparkest
er/sie/esparke
wirparken
ihrparket
sie/Sieparken
ichwerde geparkt
duwerdest geparkt
er/sie/eswerde geparkt
wirwerden geparkt
ihrwerdet geparkt
sie/Siewerden geparkt
ichwürde parken
duwürdest parken
er/sie/eswürde parken
wirwürden parken
ihrwürdet parken
sie/Siewürden parken
ichwürde geparkt werden
duwürdest geparkt werden
er/sie/eswürde geparkt werden
wirwürden geparkt werden
ihrwürdet geparkt werden
sie/Siewürden geparkt werden
dupark!
ihrparkt!
SieParken!