verb
parkeren
A2
parken betekent ‘parkeren’ of ‘een voertuig neerzetten’. Het is een regelmatig zwak werkwoord: voltooid deelwoord geparkt, perfect met haben. Niet wederkerig. Vaak met een plaatsaanduiding: auf dem Parkplatz parken.
Voorbeelden
Der Fahrer parkte das Auto, bevor er das Hotel betrat.
De chauffeur parkeerde de auto voordat hij het hotel binnenging.
Ich parke mein Auto.
Ik parkeer mijn auto.
Sie parkte ihr Fahrrad.
Ze parkeerde haar fiets.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een auto voor die een parkeerplaats inrijdt
zoals Engels «park» + -en
Opmerkingen
Niet-scheidbaar regelmatig werkwoord dat wordt gebruikt voor het parkeren van voertuigen.