verb
parkeren
B1
parkieren betekent ‘parkeren’ of ‘een voertuig neerzetten’. Het is een regelmatig zwak werkwoord: ich parke, du parkierst, er parkiert; voltooid deelwoord: parkiert. Het is niet wederkerig en niet scheidbaar, en gebruikt in het perfectum hebben. Vooral Zwitsers/Duits regionaal; elders is parken gebruikelijker.
Voorbeelden
Ich habe mein Auto geparkiert.
Ik heb mijn auto geparkeerd.
Der Busfahrer parkierte den Wagen rechts, bevor der Verkehr dichter wurde.
De buschauffeur parkeerde het voertuig rechts voordat het verkeer drukker werd.
Er parkierte sein Fahrrad.
Hij parkeerde zijn fiets.
Details
Ezelsbruggetjes
stel je voor dat je een parkeerplaats inrijdt en zegt: «ik parkier hier»
klinkt als «park here» — parkieren = parkeren
N/A
Opmerkingen
parkieren wordt vaak gebruikt in Zwitsers en Oostenrijks Duits; in standaardduits is «parken» gebruikelijker. Gebruik het dus in regionale contexten. De formele gebiedende wijs («Sie») is gemarkeerd als «niet van toepassing» in de vervoegingstabel, omdat vervoegingsvormen geen persoonlijke voornaamwoorden mogen bevatten; de formele gebiedende wijs vereist het voornaamwoord «Sie».