noun
park
A2
Park betekent „park”: een openbare groene ruimte om te wandelen, rusten of spelen. Mannelijk: der Park, meervoud die Parks. Verbuiging: des Parks, dem Park. Het meervoud krijgt regelmatig -s. Veelgebruikt in de stad: im Park.
Voorbeelden
Die Jugendlichen trafen sich im Park, obwohl es abends sehr kalt war.
De jongeren ontmoetten elkaar in het park, hoewel het ’s avonds erg koud was.
Wir gehen heute Nachmittag in den Park.
We gaan vanmiddag naar het park.
Wir gehen in den Park.
We gaan naar het park.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een groen park voor met bomen en bankjes
Net als het Engelse «park»
der (de-woord) — denk aan «der Park» zoals «der Garten»
Opmerkingen
Veelvoorkomend woord voor een openbare ruimte.