noun
partner, metgezel
A1
Partner is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Partner. Het betekent ‘partner’, ‘metgezel’ of ‘zakelijke partner’, zowel privé als in het werk. Meervoud: Partner. Vrouwelijke vorm: Partnerin.
Voorbeelden
Er ist mein geschäftlicher Partner.
Hij is mijn zakenpartner.
Der Geschäftsführer stellte einen neuen Partner vor, der die Verhandlungen leiten sollte, weil der bisherige Partner ausfiel.
De algemeen directeur stelde een nieuwe partner voor die de onderhandelingen moest leiden, omdat de vorige partner afviel.
Mein Partner hilft mir beim Umzug.
Mijn partner helpt me met de verhuizing.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee mensen voor die als partners elkaar de hand schudden
klinkt als het Engelse «partner»
der -> stel je een mannelijke partner voor (mannelijk)
Opmerkingen
«Partner» kan afhankelijk van de context een romantische partner of een zakenpartner betekenen. Voor een vrouwelijke partner gebruik je «Partnerin».