adjective
parallel
B1
parallel is een bijvoeglijk naamwoord met de betekenis ‘parallel’: naast elkaar en op gelijke afstand, maar ook ‘vergelijkbaar’ of ‘gelijktijdig’. Het is trapbaar: paralleler, am parallelsten. Gebruik attributief of predicatief. Tegenstelling: kreuzend.
Voorbeelden
Die beiden Straßen verliefen parallel, obwohl der ursprüngliche Plan anders aussah.
De twee straten liepen parallel, hoewel het oorspronkelijke plan er anders uitzag.
Die beiden Straßen verlaufen parallel zueinander.
De twee straten lopen parallel aan elkaar.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee rechte spoorrails voor die elkaar nooit raken; ze blijven naast elkaar — dat is «parallel».
parallel — klinkt als «pair» + «allel» (twee dingen als een paar die naast elkaar gaan).