parallel

adjective
parallel
B1

parallel is een bijvoeglijk naamwoord met de betekenis ‘parallel’: naast elkaar en op gelijke afstand, maar ook ‘vergelijkbaar’ of ‘gelijktijdig’. Het is trapbaar: paralleler, am parallelsten. Gebruik attributief of predicatief. Tegenstelling: kreuzend.

Voorbeelden

Die beiden Straßen verliefen parallel, obwohl der ursprüngliche Plan anders aussah.
De twee straten liepen parallel, hoewel het oorspronkelijke plan er anders uitzag.
Die beiden Straßen verlaufen parallel zueinander.
De twee straten lopen parallel aan elkaar.

Details

VergelijkbaarJa
Vergrotende trapparalleler
Overschrijvende trapam parallelsten
Voltooid deelwoordNee

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je twee rechte spoorrails voor die elkaar nooit raken; ze blijven naast elkaar — dat is «parallel».
👂parallel — klinkt als «pair» + «allel» (twee dingen als een paar die naast elkaar gaan).

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek