verb
opereren, een operatie uitvoeren
B1
operieren is een regelmatig werkwoord en betekent vooral ‘opereren’, dus een chirurgische ingreep uitvoeren. Het vormt het perfect met haben (hat operiert), is niet scheidbaar en de lijdende vorm wordt met werden gemaakt (wird operiert). Vooral medisch gebruikt.
Voorbeelden
Er ist operiert worden.
Hij is geopereerd.
Der Arzt operiert den Patienten.
De arts opereert de patiënt.
Der Chirurg operierte den Patienten, obwohl die Bedingungen im Saal schwierig gewesen waren.
De chirurg opereerde de patiënt, hoewel de omstandigheden in de operatiekamer moeilijk waren geweest.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een chirurg voor die zegt: «Ich operiere jetzt» terwijl hij de patiënt voorbereidt.
Klinkt als het Engelse «operate» — dezelfde wortel.
Opmerkingen
operieren is een regelmatig -ieren-werkwoord dat vaak in medische contexten wordt gebruikt. Het is transitief wanneer de patiënt wordt genoemd (jemanden operieren) en kan in sommige contexten ook intransitief worden gebruikt (an etwas operieren).