verb
blijven, verblijven
A1
bleiben betekent „blijven” of „achterblijven”. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: verleden tijd blieb, voltooid deelwoord geblieben. In de voltooide tijden gebruikt het sein: ich bin geblieben. Niet-reflexief, intransitief en zonder vaste prepositie.
Voorbeelden
Sie ist lange geblieben.
Ze is lang gebleven.
Ich bin zu Hause geblieben.
Ik ben thuis gebleven.
Er blieb zu Hause, weil das Wetter so schlecht gewesen war.
Hij bleef thuis omdat het weer zo slecht was geweest.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die op een plek blijft staan met een bordje «bleib hier» (blijf hier).
«bleiben» lijkt niet direct op «blijven» — stel je een blad voor dat blijft liggen.
Opmerkingen
Onovergankelijk werkwoord; in voltooide tijden wordt «sein» als hulpwerkwoord gebruikt (bijv. «ich bin geblieben»). Passieve vormen zijn niet van toepassing op onovergankelijke werkwoorden.