bleiben

verb
blijven, verblijven
A1

bleiben betekent „blijven” of „achterblijven”. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: verleden tijd blieb, voltooid deelwoord geblieben. In de voltooide tijden gebruikt het sein: ich bin geblieben. Niet-reflexief, intransitief en zonder vaste prepositie.

Voorbeelden

Sie ist lange geblieben.
Ze is lang gebleven.
Ich bin zu Hause geblieben.
Ik ben thuis gebleven.
Er blieb zu Hause, weil das Wetter so schlecht gewesen war.
Hij bleef thuis omdat het weer zo slecht was geweest.

Details

Hulpwerkwoordsein
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
Stamveranderingenie -> ie in present (bleib-), Präteritum sing. 'blieb', Partizip II 'geblieben'

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es bleibt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es blieb
Perfekter/sie/es ist geblieben

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die op een plek blijft staan met een bordje «bleib hier» (blijf hier).
👂«bleiben» lijkt niet direct op «blijven» — stel je een blad voor dat blijft liggen.

Opmerkingen

Onovergankelijk werkwoord; in voltooide tijden wordt «sein» als hulpwerkwoord gebruikt (bijv. «ich bin geblieben»). Passieve vormen zijn niet van toepassing op onovergankelijke werkwoorden.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichbleibe
dubleibst
er/sie/esbleibt
wirbleiben
ihrbleibt
sie/Siebleiben
ichbleibe
dubleibest
er/sie/esbleibe
wirbleiben
ihrbleibet
sie/Siebleiben
ichbliebe
dubliebst
er/sie/esbliebe
wirblieben
ihrbliebet
sie/Sieblieben
dubleib
ihrbleibt
Siebleiben