verb
rennen, lopen
A1
laufen betekent ‘rennen’ of, afhankelijk van de context, ‘lopen/te voet gaan’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: Präteritum lief, Partizip II gelaufen, in de tegenwoordige tijd er läuft. Perfekt met sein: ich bin gelaufen. Niet reflexief.
Voorbeelden
Ich bin einen Marathon gelaufen.
Ik heb een marathon gelopen.
Wir laufen zur U-Bahn, weil der Bus spät ist.
We lopen naar de metro omdat de bus te laat is.
Ich laufe jeden Morgen.
Ik ren elke ochtend.
Details
Ezelsbruggetjes
stel je iemand voor die eerst wat hangt te luieren en dan ineens begint te rennen — «laufen» = rennen
klinkt als «louver» zonder de v — stel je voor dat je langs een schilderij in het Louvre rent
Opmerkingen
Vaak gebruikt in alledaagse taal voor zowel rennen als, in sommige contexten, lopen. Gebruikt sein als hulpwerkwoord in de voltooide tijden wanneer het beweging aangeeft (ist gelaufen). Onovergankelijk werkwoord; vormen van de lijdende vorm zijn niet van toepassing en worden daarom in de vervoegingstabel als «niet van toepassing» aangeduid.