laufen

verb
rennen, lopen
A1

laufen betekent ‘rennen’ of, afhankelijk van de context, ‘lopen/te voet gaan’. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: Präteritum lief, Partizip II gelaufen, in de tegenwoordige tijd er läuft. Perfekt met sein: ich bin gelaufen. Niet reflexief.

Voorbeelden

Ich bin einen Marathon gelaufen.
Ik heb een marathon gelopen.
Wir laufen zur U-Bahn, weil der Bus spät ist.
We lopen naar de metro omdat de bus te laat is.
Ich laufe jeden Morgen.
Ik ren elke ochtend.

Details

Hulpwerkwoordsein
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
Stamveranderingena -> ie in past stem (lief), umlaut a->ä in du/er/sie/es present

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es läuft
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es lief
Perfekter/sie/es ist gelaufen

Ezelsbruggetjes

👁️stel je iemand voor die eerst wat hangt te luieren en dan ineens begint te rennen — «laufen» = rennen
👂klinkt als «louver» zonder de v — stel je voor dat je langs een schilderij in het Louvre rent

Opmerkingen

Vaak gebruikt in alledaagse taal voor zowel rennen als, in sommige contexten, lopen. Gebruikt sein als hulpwerkwoord in de voltooide tijden wanneer het beweging aangeeft (ist gelaufen). Onovergankelijk werkwoord; vormen van de lijdende vorm zijn niet van toepassing en worden daarom in de vervoegingstabel als «niet van toepassing» aangeduid.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichlaufe
duläufst
er/sie/esläuft
wirlaufen
ihrlauft
sie/Sielaufen
ichlaufe
dulaufest
er/sie/eslaufe
wirlaufen
ihrlaufet
sie/Sielaufen
ichliefe
duliefest
er/sie/esliefe
wirliefen
ihrliefet
sie/Sieliefen
dulauf!
ihrlauft!
Sielaufen!