noun
kliniek, ziekenhuis
B1
Klinik (die) betekent ‘kliniek’ en soms in bredere zin ‘ziekenhuis’, afhankelijk van de context. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Klinik. Meervoud: Kliniken. De verbuiging is regelmatig: die Klinik, der Klinik, die Kliniken. Vaak een gespecialiseerde medische instelling.
Voorbeelden
Er geht zur Klinik, um seine Wunde nähen zu lassen.
Hij gaat naar de kliniek om zijn wond te laten hechten.
Der Mann wurde in die Klinik gebracht, weil die Verletzung ernst war.
De man werd naar de kliniek gebracht omdat het letsel ernstig was.
Die Klinik hat eine Notaufnahme wie ein kleines Krankenhaus.
De kliniek heeft een spoedeisende hulp als een klein ziekenhuis.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een klein medisch gebouw voor met een rood kruis en het bord ‘Klinik’.
Klinkt als het Engelse ‘clinic’ — heel vergelijkbare uitspraak.
Die = vrouwelijk; stel je een kliniek voor met een verpleegster die ‘die Klinik’ zegt.
Opmerkingen
Klinik verwijst vaak naar een polikliniek of gespecialiseerd centrum; in sommige contexten kan het losjes worden gebruikt als ‘ziekenhuis’.