klingeln

verb
rinkelen, bellen
B1

klingeln betekent ‘rinkelen’ of ‘bellen’, bijvoorbeeld van een telefoon, deurbel of klok: Das Telefon klingelt. Het is een regelmatig zwak werkwoord; het Perfekt is geklingelt met haben. Niet wederkerend en zonder stamverandering.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Das Telefon klingelt.
De telefoon gaat.
Die Glocke klingelte laut.
De bel luidde hard.
Als es klingelte, öffnete der Besucher die Haustür, weil er ein Paket erwartete.
Toen het ging rinkelen, opende de bezoeker de voordeur omdat hij op een pakketje wachtte.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.AUXILIARYhaben
VOCABULARY.DETAILS.SEPARABLEVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.REGULARVOCABULARY.DETAILS.YES
VOCABULARY.DETAILS.VERB_TYPEweak

VOCABULARY.DETAILS.PRINCIPAL_FORMS

Präsens (3. Sg.)er/sie/es klingelt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es klingelte
Perfekter/sie/es hat geklingelt

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een bel voor die heen en weer zwaait en een helder rinkelend geluid maakt
👂klinkt als „cling” + „eln” — denk aan het „cling”-geluid van een klein belletje

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Meestal onovergankelijk: voorwerpen of klokken „klingeln” (een rinkelend geluid maken). Voor het luiden van een bel door erop te drukken gebruikt het Duits „klingeln” voor de bel zelf of „die Klingel drücken” voor het indrukken. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vervoegingen zijn niet van toepassing.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS

ichklingele
duklingelst
er/sie/esklingelt
wirklingeln
ihrklingelt
sie/Sieklingeln
ichklingele
duklingelest
er/sie/esklingele
wirklingeln
ihrklingelt
sie/Sieklingeln
ichwürde klingeln
duwürdest klingeln
er/sie/eswürde klingeln
wirwürden klingeln
ihrwürdet klingeln
sie/Siewürden klingeln
duklingel!
ihrklingelt!
Sieklingeln!