noun
knoedel, klont
B1
Kloß is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘knoedel’, ‘dumpling’ of ook ‘klont’/‘bult’. Meervoud onregelmatig: Klöße, met umlaut en -e. Verbuiging: der Kloß, die Klöße. Veel gebruikt in de keuken en in alledaagse taal.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Zum Mittagessen gab es Kartoffelklöße und Soße.
Bij de lunch waren er aardappelknödel met jus.
Der Koch servierte den Kloß, nachdem die Suppe auf dem Tisch stand.
De kok serveerde de knoedel nadat de soep op tafel stond.
Er spürte einen Kloß im Hals vor lauter Aufregung.
Hij voelde een brok in zijn keel van de spanning.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een ronde aardappelknoedel op een bord met saus voor.
Denk aan „closs” als „clump” — Kloß is een klomp of knoedel.
Der Kloß — onthoud „der” voor veel Duitse voedselwoorden die eindigen op -oß/-oss (mannelijk).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Meervoud: Klöße. Wordt ook figuurlijk gebruikt (bijv. einen Kloß im Hals haben = een brok in de keel hebben).