verb
verduidelijken, ophelderen, oplossen
B1
klären: regelmatig, niet-scheidbaar werkwoord met de betekenis ‘verduidelijken’ of ‘oplossen’. Vaak transitief: etwas klären, ein Problem klären. Perfekt met haben: hat geklärt; voltooid deelwoord: geklärt. Ook passief mogelijk.
Voorbeelden
Ich kläre das Missverständnis.
Ik zal het misverstand ophelderen.
Sie klärte die Situation.
Zij verduidelijkte de situatie.
Wir müssen die Details klären, bevor wir unterschreiben.
We moeten de details verduidelijken voordat we tekenen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je mist van een raam veegt zodat alles helder wordt: je ‘klärt’ het.
Klinkt als ‘clear’ — iets duidelijk maken.
Opmerkingen
Klären is een transitief werkwoord dat vaak wordt gebruikt om informatie te verduidelijken of problemen op te lossen. In veel gevallen worden passieve vormen of «klären lassen» gebruikt (iets laten verduidelijken).