verb
bereiken, halen, verwezenlijken
A2
erreichen betekent ‘bereiken’, ‘halen’ of ‘iemand te pakken krijgen’. Het is een regelmatig, zwak en niet-scheidbaar werkwoord; perfect met haben: hat erreicht. Meestal overgankelijk en zonder vaste prepositie. Veel gebruikt bij doelen, plaatsen en telefonisch contact.
Voorbeelden
Sie hat ihr Ziel endlich erreicht.
Ze heeft haar doel eindelijk bereikt.
Der Wanderer erreichte die Hütte, nachdem der Sturm nachgelassen hatte.
De wandelaar bereikte de hut nadat de storm was gaan liggen.
Ich erreiche mein Ziel.
Ik bereik mijn doel.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je je arm uitstrekt om iets met het label «Er» te «reachen» — je «er-reach-en» het.
Denk aan «air-reach-en» — het klinkt alsof «reach» in het woord zit.
Opmerkingen
Een regelmatig transitief werkwoord. Gebruikt «haben» als hulpwerkwoord in de voltooide tijden. Niet-scheidbaar. Wordt zowel letterlijk (een plaats bereiken) als figuurlijk (een doel bereiken/verwezenlijken) gebruikt.