noun
week
A1
Woche is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Woche, meervoud Wochen. Het betekent ‘week’. Regelmatige verbuiging: die Woche, der Woche, den Wochen. Heel vaak gebruikt in tijdsuitdrukkingen zoals letzte Woche, nächste Woche en pro Woche. Basiswoord voor een periode van zeven dagen.
Voorbeelden
Weil in der letzten Woche viele Kunden anriefen, konnte das Büro nicht alle E‑Mails beantworten.
Omdat er vorige week veel klanten belden, kon het kantoor niet alle e-mails beantwoorden.
Eine Woche hat sieben Tage.
Een week heeft zeven dagen.
Nächste Woche habe ich Urlaub.
Volgende week heb ik vakantie.
Details
Ezelsbruggetjes
Zeven kleine vakjes op een rij die de dagen van de week voorstellen.
Klinkt als ‘voh-keh’ → denk aan ‘vocale weken’ van lessen.
die (vrouwelijk): stel je een klein vlaggetje met ‘die’ op een kalender voor — ‘die Woche’.
Opmerkingen
Meervoud: ‘Wochen’. Veelgebruikt woord voor een tijdseenheid.