hoffen

verb
hopen
A2

hoffen is een regelmatig werkwoord dat vooral „hopen” betekent. Het wordt vaak gebruikt met auf + accusatief in de betekenis „hopen op iets” of met een dass-zin. Niet wederkerend, voltooid deelwoord: gehofft, perfect met haben.

Voorbeelden

Ich habe auf das Beste gehofft.
Ik hoopte op het beste.
Ich hoffe, dass es regnet.
Ik hoop dat het gaat regenen.
Ich hoffe, das Wetter bleibt schön.
Ik hoop dat het weer mooi blijft.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es hofft
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es hoffte
Perfekter/sie/es hat gehofft

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je samengevouwen handen voor vol hoop terwijl je aan het woord «hoffen» denkt.
👂Klinkt als het Engelse «hope» met een extra f; leg de woorden aan elkaar.

Opmerkingen

Hoffen is een regelmatig zwak werkwoord dat vaak wordt gebruikt om wens of verwachting uit te drukken. Het is niet wederkerend en gebruikt normaal gesproken «haben» als hulpwerkwoord in samengestelde tijden. | Onovergankelijk werkwoord; de lijdende vorm is niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichhoffe
duhoffst
er/sie/eshofft
wirhoffen
ihrhofft
sie/Siehoffen
ichhoffe
duhoffest
er/sie/eshoffe
wirhoffen
ihrhoffet
sie/Siehoffen
ichhoffte
duhofftest
er/sie/eshoffte
wirhofften
ihrhoftet
sie/Siehofften
duhoff!
ihrhofft!
Siehoffen