noun
bruiloft, huwelijk
A1
Hochzeit (v.) betekent „bruiloft” of „huwelijk”. Meervoud: Hochzeiten. De verbuiging is regelmatig. Je zegt bijvoorbeeld zur Hochzeit of auf der Hochzeit. Het woord kan zowel de ceremonie als het feest aanduiden en is heel gebruikelijk.
Voorbeelden
Ich gehe zu einer Hochzeit.
Ik ga naar een bruiloft.
Vor der Hochzeit planten die Familien ein großes Fest, obwohl das Budget knapp war.
Voor de bruiloft planden de families een groot feest, hoewel het budget krap was.
Wir sind zur Hochzeit unserer Freunde eingeladen.
We zijn uitgenodigd voor de bruiloft van onze vrienden.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een huwelijksceremonie onder een versierde boog voor.
Denk aan ‘high-ceremony’ (hoch = hoog) — een grote ceremonie = een bruiloft.
die = vrouwelijk: stel je een trouwjurk voor (vrouwelijk beeld).
Opmerkingen
Veelgebruikt woord voor de huwelijksceremonie; meervoud ‘Hochzeiten’.