noun
gemeenschap, vereniging
B1
Gemeinschaft is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘gemeenschap’, ‘collectief’ of ‘vereniging’. Meervoud regelmatig: Gemeinschaften. Gewone verbuiging: der Gemeinschaft, die Gemeinschaften enz. Veel gebruikt in sociale en organisatorische contexten.
Voorbeelden
Viele Freiwillige halfen in der Gemeinschaft, damit ältere Menschen Unterstützung bekamen.
Veel vrijwilligers hielpen in de gemeenschap zodat oudere mensen ondersteuning kregen.
In unserer Gemeinschaft helfen Nachbarn einander.
In onze gemeenschap helpen buren elkaar.
In einer guten Gemeinschaft hilft man sich gegenseitig.
In een goede gemeenschap helpt men elkaar.
Details
Ezelsbruggetjes
Denk aan een groep (gemeenschap) die in een cirkel staat en elkaars handen vasthoudt onder een bord met ‘Gemeinschaft’.
Die Gemeinschaft — stel je een vrouwelijke gemeenschapsleider voor die de groep organiseert (die).
Opmerkingen
Het meervoud wordt vaak gebruikt wanneer men spreekt over lokale of sociale gemeenschappen; in formele contexten kunnen synoniemen zoals ‘Gesellschaft’ worden gebruikt, afhankelijk van de nuance.