noun
minderheid
B1
Minderheit is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en betekent „minderheid”: een kleinere groep binnen een grotere bevolking, vaak sociaal, etnisch of politiek. Meervoud: Minderheiten. Regelmatige verbuiging: die Minderheit, der Minderheit, den Minderheiten.
Voorbeelden
Die dänische Minderheit in Deutschland hat ihre eigenen Schulen und Vereine.
De Deense minderheid in Duitsland heeft haar eigen scholen en verenigingen.
Die Stadtverwaltung kündigte Programme für die Minderheit an, nachdem mehrere Beschwerden eingingen.
De stadsadministratie kondigde programma's voor de minderheid aan nadat er verschillende klachten waren binnengekomen.
In dieser Stadt gehört eine Minderheit der Bevölkerung einer anderen Kultur an.
In deze stad behoort een minderheid van de bevolking tot een andere cultuur.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een kleine groep voor die apart staat van een grotere menigte om een ‘Minderheit’ te zien.
Denk aan het Engelse ‘minor’ (klein) om ‘Minder-’ te onthouden als ‘kleinere groep’.
die Minderheit — vrouwelijk: stel je een banner met D-I-E boven de kleine groep voor.
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt in politieke en sociale contexten. Niet verwarren met ‘Minderjährig’ (minderjarig).