verb
genoeg zijn, volstaan, aanreiken, doorgeven, reiken
B1
reichen betekent vooral ‘genoeg zijn, volstaan’ en ook ‘iets aan iemand aanreiken/geven’. Het is een zwak werkwoord: hat gereicht. In de betekenis ‘genoeg zijn’ staat vaak für: das reicht für heute. Bij ‘aanreiken’ gebruik je jemandem etwas reichen, met datief + accusatief.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Es hat gereicht.
Het was genoeg.
Das Geld reichte nicht.
Het geld was niet genoeg.
Kannst du mir das Salz reichen?
Kun je me het zout aangeven?
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je voor dat iemand over de tafel reikt om het zout aan te geven — hij 'reicht' het.
Klinkt als Engels 'reach in' — reiken om iets door te geven.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
'reichen' is een heel vaak gebruikt alledaags werkwoord met meerdere betekenissen: voldoende zijn (Das reicht!), iets aanreiken/doorgeven (jemandem etwas reichen), en ook in vaste uitdrukkingen zoals 'es reicht' (het is genoeg / het is klaar).