verb
bijten
B1
beißen betekent ‘bijten’. Het is een sterk onregelmatig werkwoord: in de tegenwoordige tijd treedt klinkerwisseling op (du beißt), verleden tijd biss, voltooid deelwoord gebissen. Het krijgt haben, is niet wederkerig en niet scheidbaar; ook figuurlijk mogelijk.
Voorbeelden
Der Hund biss den Postboten, als dieser das Paket auf den Boden stellte.
De hond beet de postbode toen die het pakket op de grond zette.
Der Hund beißt nicht.
De hond bijt niet.
Ich wurde von einer Mücke gebissen.
Ik ben door een mug gebeten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een hond voor die zijn tanden laat zien en snel een hap neemt — de scherpe Duitse «ei» klinkt als de korte, scherpe actie.
Klinkt als het Engelse «bites».
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt voor dieren en mensen; let op de spelling met ß na de klinker in de standaardorthografie (beißen, beißt). Het voltooid deelwoord is onregelmatig: gebissen.