beißen

verb
bijten
B1

beißen betekent ‘bijten’. Het is een sterk onregelmatig werkwoord: in de tegenwoordige tijd treedt klinkerwisseling op (du beißt), verleden tijd biss, voltooid deelwoord gebissen. Het krijgt haben, is niet wederkerig en niet scheidbaar; ook figuurlijk mogelijk.

Voorbeelden

Der Hund biss den Postboten, als dieser das Paket auf den Boden stellte.
De hond beet de postbode toen die het pakket op de grond zette.
Der Hund beißt nicht.
De hond bijt niet.
Ich wurde von einer Mücke gebissen.
Ik ben door een mug gebeten.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
Stamveranderingenei -> i (biss); present has ß in du/er forms

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es beißt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es biss
Perfekter/sie/es hat gebissen

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een hond voor die zijn tanden laat zien en snel een hap neemt — de scherpe Duitse «ei» klinkt als de korte, scherpe actie.
👂Klinkt als het Engelse «bites».

Opmerkingen

Wordt vaak gebruikt voor dieren en mensen; let op de spelling met ß na de klinker in de standaardorthografie (beißen, beißt). Het voltooid deelwoord is onregelmatig: gebissen.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichbeiße
dubeißt
er/sie/esbeißt
wirbeißen
ihrbeißt
sie/Siebeißen
ichwerde gebissen
duwirst gebissen
er/sie/eswird gebissen
wirwerden gebissen
ihrwerdet gebissen
sie/Siewerden gebissen
ichbeiße
dubeißest
er/sie/esbeiße
wirbeißen
ihrbeißet
sie/Siebeißen
ichwerde gebissen
duwerdest gebissen
er/sie/eswerde gebissen
wirwerden gebissen
ihrwerdet gebissen
sie/Siewerden gebissen
ichbisse
dubissest
er/sie/esbisse
wirbissen
ihrbisset
sie/Siebissen
ichwürde gebissen
duwürdest gebissen
er/sie/eswürde gebissen
wirwürden gebissen
ihrwürdet gebissen
sie/Siewürden gebissen
duBeiße!
ihrBeißt!
SieBeißen