noun
aansteker
B1
Feuerzeug betekent ‘aansteker’, het draagbare voorwerp waarmee je een vlam maakt. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Feuerzeug; meervoud: die Feuerzeuge; genitief: des Feuerzeugs. Veelgebruikt alledaags woord, vaak in verband met roken, veiligheid en verboden.
Voorbeelden
Hast du ein Feuerzeug für mich?
Heb je een aansteker voor mij?
Ich habe mein Feuerzeug auf dem Tisch liegen lassen.
Ik heb mijn aansteker op tafel laten liggen.
Er zündete mit dem Feuerzeug seine Zigarette an.
Hij stak zijn sigaret aan met de aansteker.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een klein metalen doosje voor dat vuur maakt wanneer je het openklikt.
Klinkt als ‘fire-zoik’ — denk aan ‘fire’ voor vlam.
das — denk aan ‘das’ als ‘het kleine voorwerp’ (onzijdige voorwerpen gebruiken vaak ‘das’).
Opmerkingen
Feuerzeug is een alledaags voorwerp. Er bestaan samenstellingen, bijvoorbeeld Sturmfeuerzeug = windbestendige aansteker.