noun
spul, ding, rommel
B1
Zeug (o.) is een heel informeel woord voor „spullen”, „rommel” of „materiaal”. Het heeft normaal geen meervoud en gedraagt zich als een massawoord: das Zeug, des Zeugs. Onzijdig. Veel gebruikt in alledaagse taal en in uitdrukkingen zoals das ganze Zeug.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Polizisten fanden das Zeug, das der Verdächtige vor Wochen versteckte, weil Nachbarn einen seltsamen Geruch meldeten.
De politie vond de spullen die de verdachte weken eerder had verborgen, omdat buren een vreemde geur meldden.
Für den Ausflug braucht er spezielles Zeug.
Voor het uitstapje heeft hij speciale uitrusting nodig.
Ich habe zu viel Zeug in meinem Schrank.
Ik heb te veel spullen in mijn kast.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een grote doos voor met het label „ZEUG”, vol allerlei huishoudelijke spullen.
Klinkt een beetje als „zoo” + „g” — stel je een dierentuin vol willekeurige spullen voor met het label „ZEUG”.
Das Zeug — denk aan een neutrale doos („das” = de neutrale container) vol spullen.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Wordt vaak gebruikt als verzamelnaam in de betekenis van „spul” of „dingen” (vaak informeel). Vormt in het dagelijks gebruik meestal geen regelmatig meervoud. | Enkelvoud/verzamelnaam; meervoudsvormen zijn niet van toepassing.