pronoun
het, dit, dat
A1
„es” is het persoonlijke voornaamwoord van de 3e persoon enkelvoud, onzijdig: „het” of soms „dat”, afhankelijk van de context. Het wordt gebruikt als onpersoonlijk onderwerp (Es regnet), in „es gibt” en als zinsvuller. Niet reflexief.
Voorbeelden
Es gab Probleme, weil die Maschine plötzlich ausfiel.
Er waren problemen omdat de machine plotseling uitviel.
Es regnet heute den ganzen Tag.
Het regent vandaag de hele dag.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een neutraal ding voor waarnaar wordt gewezen met het label ‘es’
klinkt als ‘s’ in ‘so’ — kort en neutraal zoals ‘it’