pronoun
hij
A1
er is het persoonlijke voornaamwoord van de derde persoon enkelvoud mannelijk en betekent „hij”. Het staat in de nominatief; andere naamvallen zijn ihn (accusatief), ihm (datief) en seiner (genitief). Het fungeert als onderwerp vóór het werkwoord en wordt klein geschreven, behalve aan het begin van een zin.
Voorbeelden
Er ist mein Bruder und wohnt nebenan.
Hij is mijn broer en woont naastan.
Er sagte, dass er den Brief gelesen hatte, bevor die Sitzung begann.
Hij zei dat hij de brief had gelezen voordat de vergadering begon.
Details
Ezelsbruggetjes
Visualiseer een man met een pijl met het label ‘er’ die naar hem wijst.
klinkt als ‘air’ — stel je voor dat je naar een man wijst en ‘air’ zegt → er.