pronoun
zijn, haar, het zijne, de zijne, de hare
A1
sein is hier een bezittelijk voornaamwoord en betekent ‘zijn’ in de zin van ‘van hem’ of ‘ervan’. Het past zich aan het zelfstandig naamwoord aan in geslacht, getal en naamval: sein Vater, seine Mutter, seine Bücher. Niet verwarren met het werkwoord sein.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Als die Post klingelte, nahm der Kollege sein Paket an, weil der Inhalt wichtig war.
Toen de postbode belde, nam de collega zijn pakket aan omdat de inhoud belangrijk was.
Das Netzteil des Computers ist kaputt.
De voeding van de computer is kapot.
Er hat sein Buch vergessen.
Hij is zijn boek vergeten.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een klein label op een voorwerp voor met ‘zijn’ erop en daaronder in het Duits ‘sein’ — het label helpt je ‘sein’ met bezit te verbinden.
Klinkt een beetje als het Engelse ‘sign’ zonder de g (uitgesproken als ‘zain’). Denk aan ‘sein’ ~ ‘sign’ als een label dat ‘zijn’ betekent.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Dit ‘sein’ is een bezittelijk voornaamwoord (betekent ‘zijn’ of ‘haar’), niet het werkwoord ‘sein’ (zijn). Het verbuigt om overeen te komen met het bezeten ding (sein, seine, seinen, seinem, seines). Let op: het stemt overeen met het geslacht en de naamval van het bezeten zelfstandig naamwoord, niet met de eigenaar. Bijvoorbeeld: ‘sein Buch’ (zijn boek), maar ‘seine Tasche’ (zijn tas).