verb
schieten, vuren
B1
schießen is een sterk, onregelmatig werkwoord en betekent „schieten”, „vuren” of in sport „een doelpunt maken”. Tegenwoordige tijd: er schießt; verleden tijd: schoss; voltooid deelwoord: geschossen. Het vormt het perfectum met haben. Niet scheidbaar en niet wederkerig.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Stürmer schoss das Tor, weil der Verteidiger einen Fehler machte.
De spits scoorde het doelpunt omdat de verdediger een fout maakte.
Er schoss, als der Eindringling das Haus betrat.
Hij schoot toen de indringer het huis binnenging.
Er hat ein Tor geschossen.
Hij scoorde een doelpunt.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand voor die mikt en schiet — het werkwoord ‘schießen’ is met dat beeld verbonden.
Klinkt als Engels ‘shee-sen’ — denk aan ‘she sees’ om ‘schießen’ te onthouden.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
schießen is een sterk (onregelmatig) werkwoord: schießen — schoss — geschossen. Het krijgt meestal ‘haben’ als hulpwerkwoord. Het kan worden gebruikt voor sport (schieten) en voor vuurwapens; context is belangrijk (sport vs. gevaarlijk gebruik).