verb
schreeuwen, gillen
B1
schreien is een sterk, onregelmatig werkwoord en betekent „schreeuwen”, „roepen” of „gillen”. Tegenwoordige tijd: er schreit; verleden tijd: schrie; voltooid deelwoord: geschrien. Het vormt het perfectum met haben. Niet scheidbaar en niet wederkerig.
Voorbeelden
Ich habe laut geschrien.
Ik schreeuwde hard.
Er schrie vor Schmerz.
Hij schreeuwde van de pijn.
Das Baby schreit.
De baby huilt.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor met wijd open mond en het geluid ‘schrei!’ dat eruit komt.
Klinkt als ‘shrie’ (zoals in ‘shriek’) — denk aan een luide kreet.
Opmerkingen
schreien is een sterk onovergankelijk werkwoord (schreeuwen/gillen). Passieve vormen worden zelden gebruikt omdat het werkwoord meestal geen lijdend voorwerp heeft. Gebruik ‘geschrien’ voor voltooide tijden. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.