verb
uitleggen, verklaren
A1
erklären is een regelmatig, zwak werkwoord dat niet scheidbaar en niet wederkerig is. Betekenis: uitleggen, verklaren. Voltooid deelwoord: erklärt; hulpwerkwoord: haben. Veelgebruikte constructie: jemandem etwas erklären, met persoon in datief.
Voorbeelden
Der Lehrer erklärte den Schülern die Aufgabe, weil viele Fragen offen waren.
De leraar legde de opdracht aan de leerlingen uit, omdat veel vragen onbeantwoord bleven.
Sie hat mir alles erklärt.
Ze heeft me alles uitgelegd.
Kannst du mir das kurz erklären?
Kun je me dat kort uitleggen?
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een leraar voor die naar een schoolbord wijst met „erklären” erop, terwijl leerlingen luisteren
erk-lair-en — denk aan de gelijkenis in klank met „uitleggen”