noun
inbraak, braak, instorting
B1
Einbruch is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent „inbraak”, „braak” of „gewelddadige binnendringing”. Enkervoud: der Einbruch; meervoud: die Einbrüche. Genitief: des Einbruchs. Vaak met in + accusatief, bijvoorbeeld Einbruch in ein Haus. Veel gebruikt in nieuws- en politiecontext.
Voorbeelden
Letzte Woche gab es einen Einbruch in unserer Nachbarschaft.
Vorige week was er een inbraak in onze buurt.
Nach dem Einbruch überprüfte die Firma die Sicherheitssysteme, weil der Schaden groß war.
Na de inbraak controleerde het bedrijf de beveiligingssystemen, omdat de schade groot was.
Die Polizei spricht von mehreren Einbrüchen in der Stadt.
De politie meldt meerdere inbraken in de stad.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een gebroken raam voor en een inbreker die ’s nachts naar binnen klimt — een duidelijk beeld van een inbraak.
Klinkt als 'in-brook' — stel je iemand voor die inbreekt in een huis bij een beek.
DER Einbruch — stel je een grote mannelijke bewaker (DER) voor die het huis tegen de inbraak beschermt.
Opmerkingen
Einbruch verwijst meestal naar een onrechtmatige binnendringing (inbraak), maar kan ook een plotselinge daling of instorting betekenen (bijv. «einbruch der Temperaturen» = een plotselinge temperatuurdaling).